Over Arie

Arie is iemand die kan maken wat hij ziet. Na de Ambachtsschool volgde hij de opleiding tot instrumentmaker, en werkte jaren voor het Academisch Ziekenhuis, waar hij operatie-instrumenten maakte.

Jeugd

“Als kleine jongen op bezoek bij mijn grootouders in Woubrugge kreeg ik mijn eerste ervaring dat je kon besparen op brandstof. Opa had een ouderwetse kolenkachel en mijn vader vond dat hij een nieuwe vulhaard moest kopen, waardoor er minder warmte in de schoorsteen zou verdwijnen. Hij rekende uit dat je behalve een lekkere warmte en minder werk aan het stoken ook nog kon verdienen door wat je bespaarde aan kolen. Ik vond dat toen heel slim!

Mijn jeugd werd begeleid door veel ziektes en een ernstig verkeersongeluk, waardoor ik zes maal in een ziekenhuis belandde, voor korte, maar ook voor lange tijd. Daar leed mijn schoolbezoek onder, zodat ik behoorlijk achterop raakte en mijn ouders besloten dat ik op mijn twaalfde jaar maar vanwege mijn technische aanleg naar de Ambachtschool moest. Geen slechte school, praktisch gericht, maar veel algemene kennis deed je daar niet op. Ik volgde de richting metaalbewerking en deed na de Ambachtschool de Instrumentmakersopleiding van het “Kamerlingh Onnes” en gelijktijdig de avond MTS.”

In die tijd heeft hij ook verschillende innovaties en uitvindingen gedaan op het gebied van energiebesparing. Zo deed hij onderzoek naar het energieverbruik van TL-lampen. Hij geloofde niet dat het beter was ze te laten branden; zijn onderzoek wees uit dat je TL-lampen inderdaad beter uit kon doen als je ze enige tijd niet gebruikte. Het verbruik om de lampen op te starten en de slijtage aan de lampen woog niet op tegen de energiebesparing in de tijd dat ze niet brandden.

L U M C

“Na een paar jaar zelfstandig te hebben gewerkt als instrumentmaker trouwde ik en vond een vaste baan bij de werkplaats van de afdeling Thorax van het Academisch Ziekenhuis (nu LUMC) te Leiden. Ik was daar betrokken bij experimentele ontwerpen en fabriceren van o.a. hartkleppen en een kunsthart voor baby’s.”

Arie trouwde in 1961 met Wil Taverne. Samen kregen ze 4 kinderen en inmiddels hebben ze 11 kleinkinderen. In het eerste huis dat hij kocht, begin jaren 60, experimenteerde hij met vloerverwarming en dubbelglas.

Huwelijk en eerste huis

“Wil was meer gericht op talen en creativiteit en in het bezit van het Middenstandsdiploma zodat we elkaar goed aanvulden. Ons eerste huis, een rijtjeshuis in Woubrugge, kreeg al snel (1963) een zelfgefabriceerde vloerverwarming met kunststof slang, experimenteel maar het werkte wel, tot duidelijk werd dat het kunststof diffuus was en langzaam water doorliet. Een nuttige les. We spaarden voor dubbele ramen, toen zeer ongebruikelijk, en deze kwamen in de benedenverdieping. Boven kwamen voorzetramen, daarvoor werden de ramen gebruikt die van beneden waren overgebleven. Zo werd dit huis al een beetje energiezuinig.”

Hij bouwde eind jaren 60 – in een tijd dat energiebesparing nog weinig aandacht kreeg – voor het eerst een eigen, energiezuinig huis. Met dubbel glas, vloerverwarming en muurisolatie was hij zijn tijd ver vooruit. Hij bouwde ook de eerste HR-ketel.

Tweede huis

“In 1971, we hadden inmiddels 3 kinderen en de 4e was op komst, betrokken we ons volgende huis. Dit huis, aan de Vierambachtsweg, had ik gebouwd onder eigen beheer en kreeg dubbele ramen en geïsoleerde muren, wat omstanders de opmerking ontlokten: je stopt toch geen geld in je muren! Dergelijke isolatie is nu verplicht. In dit huis maakte ik professionele vloerverwarming, nu met koperen buis in een betonnen afwerkvloer, met isolatie daaronder. Deze vloerverwarming werd aangesloten op een oude gietijzeren gasketel, die ik geleidelijk ombouwde tot een HR-ketel incl. rookgasventilator en met een gesloten rookgas/verbrandingsluchtsysteem. Korte tijd daarna bleek de Gasunie in Groningen ook een dergelijke ketel te hebben ontwikkeld.”

In de jaren 80 wilde hij van energiebesparing zijn beroep maken. Naast het werk voor het ziekenhuis begon hij als adviseur energiebesparing. Met goede resultaten. In kerken en scholen bereikte hij al snel besparingen van 60%. En daar waren niet altijd grote investeringen voor nodig. In 1984 besloot hij fulltime als energieadviseur aan het werk te gaan.

De elektrische fiets

“Voor mijn werk fietste ik regelmatig naar Leiden, ca. 16 km. Dan overdacht ik al trappend wel eens dat zo’n fiets eigenlijk wel een duwtje kon gebruiken en zo kwam ik op het idee (ca. 1975) om een kleine elektromotor op mijn fiets te maken met accuvoeding in de zijtassen en een regeling. Het werkte; ik moest er wel bij trappen en kon ca. 30 km. rijden op 2 volle accu’s. De fiets heeft 3 jaar gefunctioneerd.”

Zijn droom was een huis te bouwen dat, op jaarbasis, evenveel energie zou opwekken als het zou gebruiken. Dat betekende een huis dat zelf duurzame energie opwekt, maar ook een huis dat zo min mogelijk energie verbruikt. Het kostte enkele jaren voorbereiding, en toen Arie en Wil de grond konden kopen waar zijn grootouders hadden gewoond, kon de bouw beginnen.

Op naar de nul

“Gaandeweg mondde het uit in het in praktijk brengen van alle mogelijkheden die er in 1990 waren in de vorm van een nul-energiewoning, ons derde huis. Pionierswerk, bij alles moest “het wiel worden uitgevonden”. Maar wel een echte uitdaging, met iedere keer weer de voldoening: het werkt!”

Hierna studeerde ze nog aan de Handelsavondschool ‘Kennis is Macht’ in Leiden. Ze werkte een jaar bij haar vader en daarna drie jaar in een administratieve functie bij Fasson Nederland. Zoals dat vaak ging in die tijd, werd ze na haar trouwen huisvrouw.

“Ik ben geboren in Den Haag en getogen in Leiden, in de Vogelbuurt. Het was tijdens en vlak na de oorlog; mijn ouders hadden het ondanks hard werken niet breed. Ik tekende graag en een buurjongen, Arie Kroon, vroeg me eens een portret na te tekenen van Johann Sebastian Bach.”

Niettemin heeft ze altijd een grote belangstelling gehad voor creatieve vakken: muziek, maar vooral tekenen en schilderen. In 1966 haalde ze een certificaat illustreren aan de Famous Artists School.

“We leerden elkaar kennen, trouwden en verhuisden al gauw naar Woubrugge. Arie had altijd ‘een plan’ en dit was fase één. Fase twee was het bouwen van een eigen huis; die fase volgde eigenlijk al snel.”

Veertig jaar later werd ze lid van Schildersclub Jacobswoude en dat leidde tot een welhaast explosieve productiviteit. Ze schildert op klein formaat doeken, met olieverf.

“Het was een enorm drukke tijd. We hadden al drie kinderen, Hans, Evelien en Rutger toen we eraan begonnen en ik was zwanger van Annelies. Er was altijd wel wat te doen aan en rondom het huis. Het was soms rommelig maar tegelijktijd waren we trots op wat we opbouwden. En er was toch ook wel tijd voor andere dingen, het verenigingsleven, m.n. kerk, school, m’n koor… Nu heb ik lekker veel tijd en die andere dingen doe ik ook nog wel, maar voor de rest draait het om schilderen.”

“De plannen van Arie creëerden ook ruimte en tijd om m’n eigen dingen te doen. Ik ondersteunde, had veel aandacht voor de kinderen, maar deed ook de administratie en ander kantoorwerk. Het was best een baan. Maar ik geloofde er ook in, het was leuk. We creëerden iets dat nog niet bestond; sommige mensen vonden dat raar, maar de meesten waren vooral geïnteresseerd.”

Naar boven